|
Kunst, als in een spiegel In zijn steeds weer herziene en door vele generaties bestudeerde kunstgeschiedenis Eeuwige schoonheid mijmert E.H. Gombrich aan het slot: “is het niet die voortdurende noodzaak van herziening, die het bestuderen van het verleden zo opwindend maakt?” Misschien is het niet toevallig dat het geen academisch kunsthistoricus is, maar een schilder en academieleraar, Julian Bell, die het ruim een halve eeuw na The Story of Art aandurft in zijn eentje een nieuwe geschiedenis van de beeldende kunst te schrijven. Hij wil oog hebben voor de niet-westerse kunst en aantonen hoe de veranderingen in de kunst samenhangen “met de archieven van maatschappelijke, technologische, politieke en godsdienstige veranderingen, hoe omgekeerd of aangepast die weerspiegelingen ook mogen blijken”. Spiegel van de wereld (Athenaeum–Polak & Van Gennep) laat je niet alleen kijken naar hoe de kunst de werkelijkheid weerspiegelde en vertekende. Het boek toont vooral hoe verschillend de vormen en functies van kunst in de loop der tijden zijn geweest. Meermaals doet het je zelfs twijfelen aan de zin van de klassieke chronologie, omdat het je confronteert met de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige. |
||
![]() |
Anders dan
veelal wordt gedacht, is ‘natuurgetrouwheid’
geen wezenlijke, maar slechts een voorbijgaande
fase in de kunstgeschiedenis. Voorbereid door de
fresco’s van Giotto, gaan in de 14e
en 15e eeuw in Noord-Europa en Italië
de vensters open en komt de zichtbare
werkelijkheid zoals we die met onze
perspectivische blik waarnemen, de kunst binnen.
Maar tegelijk blijkt hoe relatief het begrip
realisme is: schilders geven niet weer wat ze om
zich heen zien, maar construeren omgevingen
waarin gewenste voorstellingen, in die tijd
vooral van religieuze aard, effect sorteren. Hoe
belangrijk het afbeeldingssysteem is, volgt uit
de noodzaak te weten wie er wordt afgebeeld en
het Bijbelse verhaal achter de voorstelling te
kennen. Zoals de kunstwetenschappers Gombrich en
Goodman schreven, is realisme geen kwestie van
gelijkenis tussen de afbeelding en het
afgebeelde, maar van overeenkomst tussen de
afbeelding en de conventies om – in een bepaalde
periode – werkelijkheid ‘realistisch’ weer te
geven. De onderwerpskeuze evolueert met de tijd.
Op Bijbelse en mythologische taferelen volgt de
verheerlijking van de macht, in republikeinse
landen bloeien de genrestukken met gewone
burgers en neemt de aandacht toe voor het
(weliswaar symbolisch geladen) stilleven. Pas in
de 16e eeuw krijgt het landschap
waarde op zichzelf en pas vanaf de 19e
eeuw zijn schijnbaar banale delen van een
interieur (Menzel, ‘De balkonkamer’) of gewone
mensen in hun werkomgeving (Courbet, ‘De
korenwansters’) het waard om het thema van een
schilderij te worden. |
|
|
|
![]() |
|
![]() |
Juist vanuit de 20e-eeuwse en hedendaagse kunst met hun anything goes wordt het gemakkelijker om de vroegere en niet-westerse vormen van kunst, waar Bell ruim aandacht aan besteedt, te begrijpen. Te beginnen met de schilderingen van neushoorns en paarden in de grot van Chauvet (Zuid-Frankrijk, ca. 28.000 v.Chr.) “Deze schilders konden zich met hun ogen en hun gevoel in de energie van dieren inleven! Zoals Picasso zei toen hij in 1940 Lascaux bezocht: ‘We hebben niets geleerd.’ Grafische kunstgrepen zoals fluctuerende lijndiktes die aangeven dat de neushoorn zich voorwaarts stoot, sluiten rechtstreeks aan bij de moderne verbeelding. Aangebrachte schaduwen modelleren de lichamen, alsof deze stilisten, net als anderen in het klassieke Griekenland of in de dertiende eeuw in Italië, reliëfs wilden imiteren. Er is zelfs een spoor van een soort perspectief te zien in de draaiende koppen en poten die elkaar gedeeltelijk overlappen.” Ook toen waren beelden een weliswaar nog sjamanistisch maar daarom niet minder ‘cognitief’ instrument om vat te krijgen op de wereld en te weten hoe men zich erin overeind diende te houden. Het is een voordeel van Bells benadering dat hij zijn betoog ophangt aan de meer dan 350 illustraties (grotendeels in kleur), die hij in een bijschrift dikwijls gevat commentarieert. Hij is er zich doorlopend van bewust dat we iedere definitie van kunst en beschaving uiteindelijk ‘met onze eigen waarden beladen’. Het verband dat hij legt tussen de kunstproductie en haar maatschappelijk-economische ontstaansachtergrond, behoedt hem voor overijlde recuperaties of bevooroordeelde afwijzingen. Zijn inlevingsvermogen laat hem wel een keer in de steek. Op het beroemde Egyptische reliëf van Bek, waarop Achnaton, zijn vrouw Nefertiti en drie van hun dochters zijn verzameld onder de weldadige stralen van de zonnegod Aton, reageert hij met onbegrip: “Ik krijg er de kriebels van. Het is alsof je de Britse koninklijke familie ziet verschijnen in een televisiespel voor bekende personen […] Ik neem aan dat een nog niet gedoofd vonkje koningsgezindheid in mij, dat wil dat koningen echte koningen zijn, van streek raakt door de erbarmelijke, beschamende, suikerzoete sentimentaliteit van het paneel.” Voor hetzelfde geld zou je echter de hiëratische, symmetrische compositie van dit sierlijke diepe reliëf kunnen bewonderen, de warme honinggele kleur van de steen en het samengaan van conventionele strengheid met levendige details als het kindje dat aan moeders oor trekt. Bij de sterk idealiserende beschilderde kalkstenen buste van Nefertiti commentarieert hij: “Ik zeg, om eerlijk te zijn, niet alleen tegen mijzelf: ‘Hét is beeldschoon’, ik zeg ook tegen mijzelf ‘Zíj is beeldschoon’.” Zo diepgeworteld is de idee van kunst als verheffende illusie. |
|
|
Terloops schrijft Bell ergens “Ik zou willen
pleiten voor desoriëntatie”. Dat doet hij zeker
door vaak binnen eenzelfde hoofdstuk over te
schakelen van westerse naar Afrikaanse,
Aziatische, Latijns-Amerikaanse of Oceanische
kunst. In de tekst lijken die overgangen soms
wat geforceerd, maar als je de kunstwerken
bekijkt, springen vaak verbluffende
overeenkomsten in het oog. De ‘Ungyo’ van Jokei
bijvoorbeeld, een houten beeld dat een
boeddhistische tempel in Nara, de oude
keizerlijke hoofdstad van Japan, moest
beschermen (ca. 1203), heeft in zijn gespannen
houding en hyperexpressieve mimiek heel wat
gemeen met de hevige emoties die de figuren bij
‘De bewening van Christus’ (ca. 1463) van Nicollò
dell’Arca, een voorbeeld van de internationale
Bourgondische stijl in de beeldhouwkunst die
verder ging dan de ingetogenheid van de
Italiaanse middeleeuwse kunst, die gedeeltelijk
nog door de Byzantijnse onbewogenheid was
beïnvloed. Revelerend is ook de vergelijking
tussen de christelijke hooggotiek van de
Sainte-Chapelle en de facettenkoepel van het
grafmonument van Zumurrud Khatun in Bagdad (ca.
1220). Of het contrast tussen de al vroeg
zelfstandige landschappen in de Chinese en
Japanse kunst, waarin de mens een te
verwaarlozen entiteit vormt, en de late opkomst
van het landschap in de Europese kunst, eerst
als achtergrond op religieuze taferelen en pas
in de 16e eeuw een eigen genre. Haast
nog meer dan door het van begin tot eind lezen
van de compacte tekst, zorgt het heen en weer
bladeren en kijken naar de illustraties voor
inzichtgevende confrontaties: de schetsmatige
opbouw van een landschap bij Shitao (‘Man in een
huis op de berg’, ca. 1700) doet denken aan het
functionele gebruik van het bladwit bij de
vroeg-expressionistische Egon Schiele. De
Iraanse schildering in olieverf van een
‘Acrobate’ (Ahmed, 1815) met een lappendeken van
kleuren dat eerder decoratief is dan figuratief
aan soortgelijke mozaïekachtige
figuurcomposities van Gustav Klimt. Een recent,
met zijn schaarse verfstreken meditatief
schilderij van de Koreaan Lee U-fan (‘Met
winden’, 1990) herinnert aan het in Europese
ogen al heel moderne ‘Zes kaki’s’ van de Chinees
Mu Qi (ca. 1250), minimale penseelstreken in de
geest van het Zenboeddhisme. Soms slaat de door
Bell gemaakte vergelijking echter als een tang
op een varken, bv. wanneer hij het Keulse
Gero-crucifix (ca. 975) met zijn schokkende
uitdrukkingskracht via de schakel van
contemporaine erotische tempelfriezen in India
aan een bronzen Shiva-beeld linkt. |
![]() ![]() |
|
![]() |
Opmerkelijk bij het lezen van een kunstgeschiedenis: de neiging om een kunstwerk los van zijn tijd te bekijken – en het appèl dat ervan uit gaat volop op je in te laten werken – haalt het van de historische en maatschappelijke, soms ook biografische, verankering waar Bell nochtans zijn uiterste best voor doet. Uiteraard wordt hij hier gehinderd door de noodzakelijke beknoptheid bij een werk dat vele millennia en talrijke continenten en landen wil overzien. Vooral in de latere eeuwen lukt het hem aardig de invloed van het historische kader op de kunst bloot te leggen, o.m. de stabilisering van het hof van Versailles in de 17e eeuw en het vogelvluchtperspectief bij de schilder Pierre Patel. “De waardige strengheid van de Franse schilder- en beeldhouwkunst in de zeventiende eeuw kwam overeen met een nadruk op ratio en orde in de Franse literatuur van diezelfde tijd.” Soms wordt die verwevenheid tussen kunst en tijdperk als in een brandpunt aangetoond aan de hand van één kunstwerk, waarin alle lijnen samenkomen: het ruiterstandbeeld ‘Peter de Grote’ (1766-1778) in Sint-Petersburg als icoon van de Verlichting. Niet altijd, en heel terecht, gaat Bell uit van een 1:1-verhouding tussen kunst en maatschappij. De reactie op de industrialisatie in Groot-Brittannië in de 19e eeuw is er bij de pre-rafaëlitische schilders – hoewel ze voor hun verf de nieuwe koolteerpigmenten gebruiken die juist op de markt kwamen – een van regressie en moralisme. Voor hen moest de kunst de morele ontreddering die onvermijdelijk met de modernisering gepaard ging een halt toeroepen (‘Het geweten ontwaakt’ van William Howald Hunt, 1853). Wat de strijd tussen abstractie en figuratie in de kunst na de Tweede Wereldoorlog betreft, verwijst de auteur naar de toenmalige ideologische spanningen. De Verenigde Staten propageerden het idee dat abstractie voor ‘vrijheid’ stond, “terwijl Rusland, Amerika’s rivaal in de Koude Oorlog, de handen van zijn kunstenaars bond met een op het verleden gerichte eis tot figuratie.” |
|
|
Afgezien van de heldere chronologie (die achteraan wordt ondersteund door een uitgebreide tijdbalk), de originele en inzicht bevorderende keuze en nevenschikking van reproducties en de persoonlijke maar in een stevige bronnenlijst gefundeerde uitstalling van feitenmateriaal en interpretaties, prikkelt Spiegel van de wereld de lezer door frisse karakteriseringen en formuleringen. Over Titiaan bv. zegt hij: “Hij legde zich toe op zijn onderwerp als een goed minnaar, die weet wanneer hij fel moet zijn en wanneer gevoelig.” Of hij wijst bij een van de superobjectieve portretten van de hedendaagse fotograaf Thomas Ruff (1990) op de parallel met het Duitsland van na de terreurbestrijding, waarbij het individu belandde “in een niemandsland met bewakingscamera’s dat zich nu uitstrekt over de hele westerse wereld”. Bij iets zo vertrouwds als een kunstgeschiedenis is het een prestatie dat Bell je het gevoel bezorgt waaraan Picasso uiting gaf toen hij met ‘primitief’ Afrikaans beeldhouwwerk werd geconfronteerd: “ik geloof dat alles onbekend is!” |
||
Erik de Smedt |
||
Bespreking van: Julian Bell, Spiegel van de wereld. De geschiedenis van de beeldende kunst. Athenaeum–Polak & Van Gennep, Amsterdam 2008. 496 p. oorspronkelijk verschenen in: De Leeswolf, februari 2009 |
||