Helmut
Heißenbüttels postmetafysische sprookjes:
"Eichendorffs Untergang und andere Märchen"
Tijdens het bekende 'Teufelsgespräch' in Thomas Manns roman Doktor
Faustus (1947) zegt de duivel op een bepaald ogenblik tegen Adrian Leverkühn:
"Gewisse Dinge sind nicht mehr möglich". Hij vat daarmee het verscheurende
inzicht samen waartoe de componist Leverkühn is gekomen: kunst creëren heeft
zijn vanzelfsprekendheid verloren.
Die crisis van de kunst is in de Duitstalige literatuur van de 20e eeuw
bijzonder productief gebleken. De pogingen tot een nieuwe functiebepaling in de
avant-gardebewegingen expressionisme en dadaïsme provoceerden experimenten in de
diverse genres; de reflectie binnen het literaire werk deed een revolutie
ontstaan in de roman. De nazidictatuur maakte daar een einde aan. Na 1945 waren
de wonden die deze periode had geslagen niet van aard om een heraanknopen
bij de vroegere experimenten te bevorderen. De 'Vergangenheitsbewältigung' en
het daarop volgende maatschappelijk engagement schoven de vraag naar de zin en
de mogelijkheid van het schrijven naar de achtergrond. De enkele auteurs voor
wie deze vraag van bij het begin acuut was, vonden weinig begrip. Literair
experiment stond in het naoorlogse Duitsland lange tijd gelijk met inhoudsloos
formalisme. Pas in de jaren zestig is mede door de opkomst van een jonge
schrijversgeneratie stilaan een opener klimaat gegroeid.
Het nieuwe boek van Helmut Heißenbüttel, Eichendorffs Untergang und andere
Märchen (Klett-Cotta, Stuttgart 1978), heeft meer met deze achtergrond te
maken dan men aanvankelijk vermoedt. Heißenbüttel (*1921) wordt sinds zijn
vroegste publicaties van 'gedichten' in de jaren vijftig beschouwd als de
vertegenwoordiger en de pleitbezorger bij uitstek van de Duitse experimentele
literatuur. Tussen 1960 en 1970 publiceerde hij Textbücher, verzamelingen
teksten waarop geen enkele traditionele genre-aanduiding past. Het zijn - deels
antigrammaticale - variaties van zinnen, over de bladzijde geschikte
woordgroepen, citaatmontages, gereduceerde teksttypes e.d.m. (Enkele in het
Nederlands vertaalde teksten zijn te vinden in een uitgave van Poetry
International, De circusklanten zijn weg, Meulenhoff, Amsterdam 1976, p.
54-61.) Opvallend is hun gestructureerd en vaak analytisch karakter. Daarnaast
heeft Heißenbüttel zijn opvattingen over literatuur in talrijke essays zowel
theoretisch als historisch gefundeerd: Über Literatur (1966),
Briefwechsel über Literatur (1969, met de criticus Heinrich Vormweg), Zur
Tradition der Moderne (1972). In 1970 hergroepeert hij zijn teksten
methodisch in Das Textbuch en publiceert hij als eerste van een reeks
'projecten' het romanachtige D'Alemberts Ende, dat hij ook een satire op
de intellectuelen heeft genoemd. Het boek bestaat bijna volledig uit citaten,
die op verschillende manieren zijn bewerkt en gecombineerd. Een soortgelijke
methode ligt ten grondslag aan het tweede project, Das Durchhauen des
Kohlhaupts (1974), dat in de ondertitel de karakterisering 'didactische
gedichten' draagt.
In het laatst verschenen project 3/1, Eichendorffs Untergang und andere
Märchen, bevat niet alleen de titel zelf de genrebenaming 'sprookjes', maar
ook de bladspiegel, de syntaxis en vooral de verhaalvorm lijken dicht bij het
normale te staan. De reacties van de kritiek, die Heißenbüttel eind 1978 vooraan
op de 'Bestenliste' plaatste, doen denken aan de euforie om de terugkeer van de
verloren zoon. Eens te meer loopt Heißenbüttels werk het gevaar slecht gelezen
te worden. Werd het vroeger vanwege zijn ongewone uiterlijk als vrijblijvend of
betekenisloos experiment afgewezen, nu dreigt men het als vertrouwde literatuur
te recupereren. Ondanks de uiterlijke verschillen is Heißenbüttels literair
project evenwel in wezen hetzelfde gebleven. De grotere leesbaarheid van
Eichendorffs Untergang kan ons alleen makkelijker in contact brengen met een
andere manier van schrijven.
Poëtica
Heißenbüttel laat dit boek door twee motto's voorafgaan. Het eerste -
een fragment uit de inleiding van Johann Karl August Musäus tot zijn verzameling
Volksmärchen der Deutschen (1782) - is een pleidooi voor de fantasie. De
menselijke geest, schrijft Musäus, heeft niet genoeg aan de realiteit; hij wijkt
graag uit naar het rijk van de verbeelding en vertelt liever sprookjes dan ware
gebeurtenissen. Als tweede motto volgt het verhaal Ontmoeting van de
Russische futurist Daniil Charms: 'Er ging eens een man naar kantoor. Onderweg
kwam hij een ander tegen die net een stokbrood had gekocht en op weg was naar
huis. Dat is eigenlijk alles.' (p. 5) Deze tekst lijkt de concrete weerlegging
van wat er in het eerste, theoretische motto wordt beweerd. Hier wordt geen
wonderlijke gebeurtenis verteld maar een banaal feit, zonder enig commentaar en
op zo een lapidaire manier dat de lezer zich afvraagt of dit wel een verhaal is.
Charms weigert de rol te spelen die van hem wordt verwacht: min of meer fictieve
gebeurtenissen zo te ordenen en te verwoorden dat er een diepere zin ontstaat.
In zijn theoretische geschriften verklaart Heißenbüttel die zelfbeperking van de
schrijver vanuit het inzicht in de gewijzigde historische situatie. De
romantische en nog steeds doorwerkende opvatting van literatuur als een
symbolisch spreken is volgens hem achterhaald, omdat zowel de traditionele
interpretatiekaders als de taal in de 20e eeuw hun absolute geldigheid hebben
verloren. In plaats van de vroegere samenhang tussen geest en natuur in een
alomvattend theologisch of filosofisch systeem bestaan er nog slechts relatieve
wetenschappelijke verklaringsconstructies, die de directe band met de
werkelijkheid hebben verbroken. De realiteit valt uiteen in betekenisloze
dingen. Het subject is niet langer het organiserende middelpunt, maar het
product van de diverse structuren waardoor het wordt gedetermineerd. Parallel
met die ontwikkeling vormt ook de taal geen betrouwbaar spiegelbeeld van de
werkelijkheid meer. Door haar functie van communicatiemiddel per definitie
conservatief, is zij een wereld op zichzelf geworden, vol relicten van het
vroegere denken. Niettemin werpt de onkenbaarheid van de werkelijkheid de
schrijver op de taal als enige zekerheid terug.
Tegen de illusoire vrijheid van het literaire rollenspel kiest Heißenbüttel de
bewuste beperking van het taalspel. Hij keert de volgorde in de relatie
werkelijkheid - literatuur om. Voor de scepticus Heißenbüttel blijft de
werkelijkheid een gesloten boek; waar hij zelf geen samenhang vindt, wil hij die
ook niet suggereren door een zingevend schrijven. 'Ich habe eigentlich nichts zu
sagen', verklaarde hij in zijn Wittgensteiniaans provocerende dankrede voor de
Büchner-prijs (1966). Maar hij voegde eraan toe: 'Aber wenn ich eigentlich
nichts zu sagen habe, so bedeutet das nicht, dass es überhaupt nichts zu sagen
gibt. Es gibt etwas zu sagen. [...] Was sagbar bleibt ist die Beteiligung an dem
was es zu sagen gibt.' (Zur Tradition der Moderne. Aufsätze und Anmerkungen
1964-1971, Luchterhand, Neuwied 1972, p. 368) In plaats van een al dan niet
uitgedachte werkelijkheid met taal te beschrijven, probeert hij aan het
reservoir van de taal te ontlokken wat hij zelf niet meer ideëel of descriptief
kan vatten. Schrijven wordt recapituleren van wat er aan historische,
maatschappelijke, psychologische sporen van realiteit in de taal steekt. Door
stukken taal samen te voegen wil Heißenbüttel een 'synthetische hallucinatie'
construeren, een ontwerp of project dat de duistere, 'sinnblinde' werkelijkheid
een ogenblik verheldert.
Grenzen van het wonder
In de wereld van het sprookje is de verbeelding aan de macht. De
natuurwetten en andere eigenschappen van de empirische realiteit zijn er
opgeheven, dieren kunnen spreken en mensen kunnen in dingen veranderen. Wat
gebeurt, hoort zo te zijn en was altijd zo, ieder element heeft zijn eigen
plaats en houdt tegelijk verband met al het overige. Het goede wordt beloond,
het kwade gestraft en alle wensen gaan in vervulling. Wie sprookjes leest,
ontsnapt uit de werkelijkheid en wordt opgenomen in een wereld buiten tijd en
ruimte, die de fantasie stimuleert, de angst vermindert en het vertrouwen in de
reële wereld herstelt. Het sprookje behoort tot de eenvoudige verhaalvormen; het
werkt met een ongecompliceerde taal, schematische figuren, een rechtlijnige
structuur en vaste symbolen en motieven. Het genre heeft in de Duitse literatuur
bijzondere belangstelling gekregen vanwege de romantici. Zij beschouwden het als
de zuiverste vorm van poëzie, omdat de hogere waarheid er helemaal los van de
werkelijkheid in wordt geopenbaard, en begonnen zelf cultuursprookjes te
schrijven om de wereld te 'poëtiseren' (Novalis).
In Eichendorffs Untergang und andere Märchen confronteert Heißenbüttel de
sprookjeswereld met de hedendaagse realiteit. De zwaartekracht van de empirie
blijkt de transcendentie van het sprookje in talrijke opzichten onmogelijk te
maken. Dat blijkt zowel uit de gevoelens van de personages als uit het
commentaar van de verteller. Bewustheid en kennis hebben een näief geloof in
wonderen verdrongen; het is geen toeval dat bijna alle figuren in het boek
intellectuelen zijn. De wereld zelf zit vol tegenstrijdigheden: ten hoogste kun
je, zo heet het in een van de teksten, een ogenblik vergeten 'dass es Morde,
Kriege, Hungersnöte, Krankheiten, Verzweiflungen gibt' (p. 50). In het licht
daarvan wordt sprookjes vertellen zuiver escapisme. Dat Heißenbüttel de
werkelijkheid niet kan en wil ontvluchten, toont Die Spur des Berichts. Eine
Art Märchen, het middelste van de dertien verhalen in de bundel en tevens
het enige dat 'sprookje' in de ondertitel heeft. Deze genre-aanduiding wordt al
in de titel gekoppeld aan de term 'verslag', die juist slaat op de nuchtere
weergave van werkelijkheid. Dit zogenaamde sprookje blijkt het relaas te zijn
van de depressie die een man doormaakt bij een korte reis naar een andere stad.
De onoverbrugbare vervreemding die hij voelt t.o.v. zichzelf en de omgeving
vervult hem beurtelings met vertwijfeling en onverschilligheid. Het enige
lichtpunt vormen zijn ontmoetingen met de 'prinses van Cleve' of de 'prinses met
de eendepoten', een roman- en sprookjesfiguur die hij in zijn leven projecteert,
maar in feite brengt zij hem minder troost dan zijn herinnering, de instemming
met wat is geweest: de desillusie van de realiteit verbant het sprookje naar het
rijk van de inbeelding. Een en ander wordt des te revelerender naarmate het
verhaal tegen het einde zijn autobiografisch karakter prijsgeeft, daar namelijk
waar de belevenissen overgaan in de schrijfsituatie en de hij-figuur een ik
wordt (p. 92). De depressie, die ontstaat door de druk van de realiteit, blijkt
dan de grondstemming waaruit de hele bundel is geschreven.
Ook het titelverhaal, dat volgens de ondertitel 'een fantasie' wil zijn,
demonstreert de grenzen van de verbeelding. Hoewel het zich in een verre
toekomst afspeelt, in een ongekend ontwikkelde, geünificeerde wereld, waar
bepaalde mensen zichzelf kunnen vermenigvuldigen en op die manier tijd en ruimte
overbruggen, blijft de fantasie gebonden aan de bestaande realiteit, waarvan zij
eigenlijk tendensen en motieven doortrekt. Zo vertelt Heißenbüttel met
nadrukkelijke ironie dat de regeringscoalitie uit FDP en SPD in de
Bondsrepubliek, bij gebrek aan een betere oppositie, haar negenendertigste
legislatuurperiode uitzit. En zelfs in deze wereld van de verbeelding, waar de
technologie met behulp van de menswetenschappen om de zeven jaar massale feesten
programmeert, blijft het leven gefixeerd op de oude polen Eros en Thanatos.
Wanneer de 'superman' met de naam van de romantische dichter Eichendorff tijdens
de roes van zo'n feest de dood vindt, keert de fictie tot de eindigheid van de
realiteit terug en bevestigt ze de eerste zin van het verhaal: 'Es wird sich
nicht viel verändert haben' (p. 7). De citaten aan het slot - uit Eichendorffs
gedicht Das Alter - cirkelen rond de dialectiek van de dood als
begrenzing van het eindige en begin van het eeuwige leven. Maar de afstand die
er alleen al stilistisch bestaat tussen Eichendorffs verzen en Heißenbüttels
tekst, trekt de geldigheid van die troost in twijfel.
Consequent situeert Heißenbüttel zijn 'sprookjes' in de hem vertrouwde
werkelijkheid, in de Bondsrepubliek van de jaren zeventig. Het milieu is
grotendeels dat van de 'Kulturindustrie', de wereld van uitgevers, kunstenaars,
schrijvers en massamedia waar Heißenbüttel zelf toe behoort. Niet het
autobiografische aspect is daarbij van belang, maar de haast fotografische
afhankelijkheid van de reële ervaring. Zij weerspiegelt Heißenbüttels inzicht
dat de mens aan de werkelijkheid is overgeleverd. De verhalen staan vol
herkenbare situaties, karaktertrekken, handelingen, gebruiken; wat wordt
geschetst, is (tenminste in zijn afzonderlijke elementen) eerder typisch dan
uitzonderlijk, eerder alledaags dan buitengewoon. Een notoir, bijna modieus
onderwerp als de 'midlife crisis' in al haar aspecten en uitvloeisels, van
twijfel aan het rollenspel en moeilijkheden met de carrière tot
communicatiestoornissen, seksuele avonturen en radicale ommekeer, levert de
centrale stof voor dit boek.
Taalspel
Zoals hij de verbeelding begrensd ziet door de reële ervaring, vindt
Heißenbüttel de werkelijkheid vastgelegd door de taal. Zij heeft de dingen niet
alleen voorgoed gedefinieerd, maar bepaalt zowel door haar grammaticale modellen
als door haar gestold systeem van betekenissen en verbanden het beeld dat we ons
van de werkelijkheid vormen. Ook in dit project 3/1 probeert hij niet met een
persoonlijke stijl werkelijkheid oorspronkelijk te benoemen. Hij gaat
integendeel vrijwillig in op de wetmatigheden en conventies van de taal, zelfs
zo ver dat zijn teksten nu en dan lijken onder te gaan in de wereld van de
formuleringen. De taal ervan komt opvallend bekend over. Vooral de langere
verhalen zuigen de gangbare clichés en uitdrukkingen als sponzen uit het
taalreservoir op. De heel normale hij en zij uit de tekst Oberwasser und
Feuerborn worden bijvoorbeeld bladzijdenlang beschreven met de termen en
categorieën die het hedendaagse taalgebruik in de Bondsrepubliek daarvoor ter
beschikking stelt. Dergelijke opsommende, bijna exhaustieve beschrijvingen
vertragen de ontwikkeling van het eigenlijke verhaal. De verkenning van het
taalmateriaal vervangt het ademloos spannende 'dröhnend vor mich hin erzählen' (p.
152).
Heißenbüttel maakt zich een eigenschap van de taal ten nutte waarvan men zich
steeds meer bewust wordt: als we spreken, zijn voor een belangrijk deel niet
wijzelf aan het woord, maar spreekt de taal door ons. Spreken en schrijven is
altijd ook citeren. De taal is een enorme vergaarbak van vóór ons geformuleerde
ervaringen, oordelen, indrukken, opvattingen, verhalen. 'Wen oder was zitiere
ich mit, wenn ich spreche? Wird Sprechen und gar literarisches Sprechen nicht
unausweichlich zu einem fortwährenden Zitieren?' (H. Heißenbüttel, Konkrete
Poesie heute? Eine Abschweifung, in: Protokolle, 1978/1, p. 251). Net
als aan de fysische wereld is de mens overgeleverd aan de taal. Maar precies
omdat Heißenbüttel zich schikt naar die afhankelijkheid en haar in zijn werk
bewust hanteert, d
oorbreken zijn teksten de verstarring van onze
werkelijkheidsbeelden. De list van het vrije spel met taalmateriaal, dat
geciteerd en anders gecombineerd wordt, dwingt de taal zichzelf te
transcenderen. Met de namen en structuren van wat bestaat en wat zij zelf heeft
vastgelegd, verwijst zij plots naar iets waarvoor zij niet is gemaakt. Heißenbüttel heeft in de ambivalentie van het citaat het fundament en de methode
van zijn schrijven gevonden: 'das definitiv Fixierte der Sprachfunktionen' is er
'am sichtbarsten mit ihrer infinitiven Offenheit verbunden' (H. Heißenbüttel,
Was ist das Konkrete an einem Gedicht?, Hansen & Hansen, Itzehoe, 1969, p.
115)
Eichendorffs Untergang und andere Märchen citeert zowel uit het actuele
taalgebruik als uit het secundaire systeem van genres, titels, motieven en
figuren dat de literatuur aan de taalvoorrad heeft toegevoegd. Het verhaal
Froschkönig. Freud besucht am Abend bv. steunt tot in detail op het eerste
sprookje van Grimm. De handeling is echter naar het heden verlegd en merkwaardig
veranderd. De vrouwelijke hoofdfiguur heeft van bij het begin de gedroomde man,
maar is kwaad op zichzelf omdat ze verliefd en daardoor afhankelijk van hem is.
Wanneer zij haar minnaar vol afschuw om zijn gebrek aan fantasie tegen de muur
slingert, verandert hij echter niet in een kikker; het wonder vindt niet plaats,
tenminste niet op de manier die ze had verwacht. Wat later komt Freud op bezoek
en geeft haar de raad met de eigen beperkingen te leren leven. Heißenbüttel zet
de eenvoud van het sprookje om in een complex mengsel van poëtische
natuurbeschrijving, psychologische casestudy en satirische milieuschets. Het is
bovendien een verhaal dat reflecteert over de eigen formulering en (ondanks de
bewuste structurering) het raadselachtige van het sprookje intensiveert.
De menging van stijlen en genres binnen één tekst maakt deel uit van de
systematische verwarring van de lezer. Er staat geen enkel harmonieus, afgerond
verhaal in de bundel. Dit valt vermoedelijk nog meer op, omdat het gewone
uitzicht van de teksten de disparaatheid van de montage camoufleert, die er als
methode aan ten grondslag ligt. De voorspelbaarheid van de gebeurtebnissen wordt
karikaturaal bevestigd en weer plots doorbroken. Zo krijgt Obsession. Die
haarige Witwe von Botnang ondanks de wetenschappelijke zakelijkheid waarmee
de obsessie van een man voor behaarde vrouwen in het verhaal wordt ontwikkeld én
ontnuchterd, een wonderlijk sprookjesslot. Wanneer je nauwkeurig leest, blijkt
ook dat einde te worden gerelativeerd. Even verwarrend is de wisselende graad
van fictionaliteit. Duidelijk fictieve personages met symbolische namen treden
zowel op naast reële figuren als naast fictieve figuren met namen van bekende
personen; voor feiten, beschrijvingen en argumenten geldt iets soortgelijks.
Door dat gemengde karakter, de anarchische structuur, hun afhankelijkheid van de
alledaagse realiteit en hun materiële intensiteit gaan deze teksten op dromen
lijken, die de gewone werkelijkheid losmaken, herschikken en op de helling
zetten. De vergelijking gaat echter niet helemaal op, omdat Heißenbüttels
teksten bewuster zijn en zich ook bewegen op een metaniveau. Als sprookjes na
Freud bevatten zij dikwijls hun eigen psychoanalytische interpretatie. Die
duiding is een element van het verhaal, concurreert met andere verklaringen en
wordt zelf voorwerp van interpretatie.
Zoals alle spelen is ook dit spel met de taal niet echt en toch nét echt, d.w.z.
een bewuste illusie. Ofschoon de verhalen autonoom vanuit de taalvoorraad zijn
geschreven, als verkenning van mogelijke relaties tussen bestaande elementen,
verwijzen zij door het overnemen van de alledaagse referentiële taal tegelijk in
schijn naar de empirische wereld. De bundel vertoont in dit verband een
evolutie. In de eerste groep verhalen (p. 19-76) suggereert Heißenbüttel dat de
beschreven veranderingen in werkelijkheid plaatsvinden. Mensen - vaak
uitgerekend zelfgenoegzame, beheerste individuen - overkomt iets, waardoor zij
uit hun normale doen en laten worden weggerukt; hun leven krijgt een nieuwe
dimensie. De groep verhalen in de tweede helft (p. 100-156) leggen het
problematische daarvan bloot. Zij beklemtonen de vaak banale en boosaardige
verstarring van het leven en samenleven, waartegen de schrijver enkel op papier
wat kan ondernemen. Er gaat een reflectie mee gepaard over de literaire creatie
(p. 129 e.v.), methode (p. 141 e.v.) en receptie (p. 112 e.v.), waarvan
Heißenbüttel telkens opnieuw de gedetermineerdheid in het licht stelt. Het hele
boek door trouwens wordt getoond dat schrijven afhankelijk is van modellen.
Tussen de dertien langere verhalen in staan dertig korte prozastukjes, alle met
'herfst' in de titel, die tot in het abrupte einde toe naar het voorbeeld van
het tweede motto zijn geschreven. Door deze nadrukkelijke demonstratie van
intertekstualiteit wordt de unieke originaliteit van het literaire werk als
mythe ontmaskerd.
Grenzen van het zegbare
Heißenbüttels herfststukjes zijn een soort anekdotes, die vaak iets
meedelen over mensen in de herfst van hun leven, over ervaringen bij het ouder
worden. Maar hoewel zij een metaforische titel hebben en de vertelwijze
herinnert aan de parabel, blijft de zin van deze korte teksten duister. De
parabel lijkt eerder een raadsel, waarvan de oplossing verloren is. De verteller
breekt zijn geschiedenis, soms al na een of twee zinnen, af met een stereotiep
'Meer kan ik er eigenlijk niet over zeggen'. Uit de langere verhalen blijkt dat
dit geen valse attitude is, maar de uitdrukking van een fundamentele onzekerheid
over de geldigheid en betekenis van de eigen tekst. Het niet-weten ondergraaft
het vaste referentiepunt dat een essentiële vereiste is voor exemplarische,
symbolische verhalen. Daar de schrijver zich niet in het bezit voelt van de
waarheid, rest hem enkel nog het proberende spel, waarin toeval en willekeur de
noodwendigheid verdringen. In geen andere verhalenbundel staan zoveel
vraagtekens. Voortdurend blijkt de verteller geneigd terug te nemen wat hij
heeft gezegd. Het sprookje Franz-Ottokar Mürbekapsels Glück und kein Ende
krijgt een tweede, even arbitrair einde; van de stukjes Generalsherbst,
Bürosexherbst en Eheherbst staan telkens twee varianten in de
bundel, experimenterend met een zelfde idee; in Das Unterbewusstsein des
Löwen hopen de metaforen voor het onderbewuste zich op, steeds weer
verbonden door een niet-disjunctief 'of' en door vraagtekens (p. 69-70).
Onzekerheid brengt de ervaringen van de personages, de verteller en de auteur
samen. De wereld van de personages begint een barst te vertonen. Zij dachten hun
bestaan volledig in handen te hebben en worden geconfronteerd met wat aan hun
controle ontsnapt: het andere, dat hen verblindt en hun rationaliteit met
ongekende emoties ondermijnt, iets dat zij niet meer kunnen verklaren en dat hen
sprakeloos maakt. De verteller twijfelt aan het vermogen van de taal om wat dan
ook correct weer te geven: 'Was ich sagen kann, bedeutet eigentlich nichts' (p.
35). De taal geeft de schijnzekerheid van inzicht. En zelfs de evidentie die men
heeft wordt betwijfeld: 'Aber es nützt auch nichts, irgendetwas zu wissen. Weil
es passiert' (p. 51-52). In zijn essays heeft Heißenbüttel het over de
niet-rationaliseerbare rest, dat wat open blijft en ontsnapt aan de menselijke
pogingen tot verklaring. Iets, 'was nicht in dieser sprachlichen Endlichkeit zu
fassen ist, nenne man es nun das Nichtsagbare, das Schweigen, die Grenze oder
den Tod' (Über Literatur. Aufsätze und Frankfurter Vorlesungen, dtv,
München, 1970, p. 188). De existentiële achtergrond hiervan is in dit boek
duidelijker dan vroeger bij Heißenbüttel aanwezig. Dat de teksten thematisch
steeds sterker beheerst worden door de dood, is de weerspiegeling van het
bestaan dat naarmate het vordert alsmaar dichter bij zijn einde komt. Het
refrein, gevormd door de herfststukjes, wijst op de ambivalentie van het leven
als beperkte mogelijkheid.
Eichendorffs Untergang und andere Märchen wordt alleen begrijpelijk
vanuit het besef dat literatuur problematisch is geworden, begrensd als het
leven zelf, 'eine Rede unmittelbar vor dem letzten Atemzug' (ibidem). De bundel
is geschreven tegen de illusie in dat literatuur het wonder kan volbrengen van
de absolute transcendentie en kan noemen wat buiten de grenzen ligt van
de empirie, die door de taal wordt gecontroleerd. Heißenbüttel beperkt zich tot
het reëel mogelijke, verdiept zich in de eindigheid van de taal en speelt met
wat erin voorhanden is. Wittgenstein schreef: 'Wenn man sich nicht bemüht, das
Unaussprechliche auszusprechen, so geht nichts verloren. Sondern das
Unaussprechliche ist, unaussprechlich, in dem Ausgesprochenen enthalten!'
(brief van 9-4-1917 aan Paul Engelmann, geciteerd uit Joachim Kühn,
Gescheiterte Sprachkritik. Fritz Mauthners Leben und Werk, De Gruyter,
Berlin, 1975, p. 57). Wie Heißenbüttels sprookjes leest, vindt het wonder
besloten in de demonstratie van het eindige.
Erik de Smedt
oorspronkelijk verschenen in Streven, november 1979